dinsdag 30 maart 2010

vandaag in sepia - coen de koning



Coen de Koning (Edam, 30 maart 1879 – Breda, 29 juli 1954) was een Nederlandse schaatser. Hij was eenmaal wereldkampioen schaatsen en won tweemaal de Elfstedentocht.

De Koning was al op jonge leeftijd sportief actief, zowel op de schaats als op de fiets. De Friese kampioen Albert van Wely ontdekte de jonge De Koning in 1902. Wely haalde de schaatsbond over om het talent naar een trainingskamp in Davos te sturen. De Koning blijkt een zeer serieuze sportman, hij rookt niet en drinkt geen druppel alcohol. Elke dag traint hij zowel 's ochtends als 's avonds bijna een uur. Al deze trainingsarbeid maakt hem een uitstekende stayer.

Het wereldkampioenschap van 1905 was in eerste instantie gepland voor 14 en 15 januari, vanwege inzettende dooi moest het echter worden uitgesteld. Een jaar eerder moest het toernooi definitief worden afgelast vanwege de dooi. In 1905 bleek de dooi echter niet door te zetten en een week later kon het toernooi toch doorgang vinden. Op dat moment bevindt De Koning zich echter op trainingskamp in Davos, vanwege sneeuw kan hij daar niet veel trainen. Zodra hij hoort dat het wereldkampioenschap in Groningen zal plaatsvinden stapt hij in de trein en 36 uur later arriveert hij vermoeid in Nederland. Hij vertelt aan een journalist dat hij in goede conditie is, ondanks dat hij niet zoveel heeft kunnen trainen.

Voor het toernooi melden zich slechts vijf deelnemers. Naast De Koning schrijven ook G.L Bernhard (uit Amsterdam), Sietze de Waard (uit Groningen), Frans Schilling (uit Oostenrijk) en Martinus Lørdahl (uit Noorwegen) zich in. Schilling komt echter niet opdagen en het toernooi gaat dus van start met slechts vier deelnemers. Op zaterdag 21 januari om een uur 's middags vriest het een paar graden en waait er een zacht briesje als er onder grote publieke belangstelling gestart wordt op de vijfhonderd meter. Nadat de Koning eerst een voorsprong weet te nemen op Lørdahl, moet hij uiteindelijk toch de eer laten aan de Noor. Op de vijf kilometer zijn de rollen echter omgedraaid. De betere stayer, De Koning, neemt al snel afstand van zijn Noorse rivaal en wint uiteindelijk met ruim veertig seconden voorsprong.

Op zondagochtend heeft de dooi wederom ingezet en is het ijs zeer zacht. Ook Bernhard trekt zich terug en slechts drie deelnemers starten op de belangrijke vijftienhonderd meter. In die tijd kon men alleen wereldkampioen worden door tenminste drie afstanden te winnen. Het is dus voor de stayer De Koning belangrijk dat hij op de vijftienhonderd meter voor de sprinter Lørdahl eindigt. Het zware, zachte ijs werkt in het voordeel van de sterke De Koning, die met zijn korte slag duidelijk in het voordeel is. Tijdens de afsluitende tien kilometer is hij oppermachtig, hij zet Lørdahl op bijna twee rondjes. Met zijn derde overwinning pakt De Koning zijn wereldtitel. Hij wordt onder andere door Koningin Wilhelmina gefeliciteerd.

Het zou tot 1961 duren voor De Koning in Henk van der Grift een opvolger kreeg.

Een jaar na zijn wereldtitel doet De Koning in Davos een aanval op het werelduurrecord. Op dat moment staat het record op naam van de Engelsman Edington die tot 30.896 meter was gekomen. De Koning verplettert het record met bijna anderhalve kilometer: 32.370 meter. Dit record zou bijna vijftig jaar stand houden.

In februari 1947 doet Marius Strijbus in Amersfoort een aanval op het record van De Koning. Als Strijbus een paar rondes heeft gereden stapt plotseling iemand op de baan. Strijbus kan een botsing nog net voorkomen. Het onverwachte obstakel blijkt de dan bijna zeventigjarige De Koning te zijn. Zijn poging roet te gooien in de record poging van Strijbus is succesvol. Op 7 februari 1949 lukt het Strijbus in Hamar alsnog om het record uit de boeken te rijden.

De tweede Elfstedentocht in 1912 wordt gereden op dooi-ijs. De Koning ligt samen met Jetze Jan Keizer aan kop. Bij Workum heeft De Koning een inzinking, maar Keizer wacht en samen vervolgen ze de tocht. Op het Slotermeer heeft Keizer het zwaar en hij vraagt De Koning om een korte rustpauze. In plaats van rustig aan te doen, plaatst De Koning een vlammende demarrage en rijdt hij Keizer op deze manier op een onoverbrugbare achterstand.

Na de race werd De Koning door een achtervolger Jan Ferwerda er van beschuldigd dat hij zich door een gids zou hebben laten voortrekken. Het officiële protest werd afgewezen, maar De Koning vond dat zijn goede naam besmeurd was. Hij zei dat hij Ferweda dit nooit zou vergeven.

Vijf jaar later meldde de Koning zich aan de vooravond van de volgende Elfstedentocht in Leeuwarden. Hij zei dat hij slechts op doorreis was en niet zou deelnemen aan deze editie. Toen hij vernam dat Ferweda wel van de partij was besloot hij alsnog mee te doen. In een nieuwe recordtijd van 9 uur 53 wist hij zijn titel te verdedigen. Hij verpletterde de concurrentie. Zijn voorsprong op de nummer twee was 27 minuten en op Ferwerda zelfs 1 uur en 56 minuten.

De Koning heeft ook aan twee Europese kampioenschappen meegedaan (in 1904 en 1906), en drie Nederlandse kampioenschappen (in 1903, 1905 en 1912). Alle Nederlandse kampioenschappen heeft hij gewonnen. Zijn nationaal records op de 500 en 10000 meter uit het jaar 1905 hebben langer dan 20 jaar stand gehouden, totdat deze respectievelijk in 1926 en 1929 werden verbroken.

Coen de Koning was de eerste in een ware schaatsdynastie. Zijn broer Jacques werd in 1914 Nederlands kampioen allround, zijn neef Aad zou in 1954 tweede worden in de Elfstedentocht en zijn nazaat Jacques is tegenwoordig een bekend sprinter.

(wikipedia)

writers at work (11)


John Berryman

dagnotities 30 maart 2010

stroop

je mouwen op of in
draai lukraak deksels
zoals buddingh

& nee
dat hoeft niet
in dordrecht te zijn

je hoeft het zelfs
niet voor te dragen

de dood nestelt zich
vanzelf wel in je hoofd

& dieper

---

zondag 28 maart 2010

& de brommer van opa



momentum

een kromgetrokken sjoelbak
op de achtertafel
alle schijven in de één

ik ruik de bastognekoeken nog

zijn klokje op het nachtkastje
hoef ik niet - mijn tijd
komt nog wel

maar dat de tuin
slechts drie stappen lang blijkt

© 2007

dagnotities 28 maart 2010

ik ben geen dichter
geen tekenaar

vraag me dus niet
om een boom

je zult
geen takken

& van de vogel
slechts
een eerste letter

---

writers at work (10)

the wild ride (1960)

The Wild Ride is een Amerikaanse dramafilm uit 1960 met Jack Nicholson. In de film wordt onder andere aandacht besteed aan de idealen en problemen van de Beat Generation.


vandaag in sepia - Martien Beversluis



Martien Beversluis (Barendrecht, 28 maart 1894 - Vrouwenpolder, 18 februari 1966) was een Nederlands dichter en romanschrijver.

Martien Beversluis studeerde in de jaren 1922-1925 Nederlandse taal en letteren te Utrecht. Vanaf 1914 publiceerde hij onder meer in Groot Nederland en in De Nieuwe Gids. Van zijn hand verschenen sinds 1928 verschillende poëziebundels en enkele romans. Voor de Tweede Wereldoorlog was hij achtereenvolgens socialist, communist en jong­protestant. In de periode 1928-1934 werkte hij, daartoe aangetrokken door de omroepsecretaris van de VARA Ger Zwertbroek, op letterkundig gebied voor de VARA en publiceerde hij het sterk anti-militaristische Aanklacht (1930). Vervolgens werkte hij tijdens zijn lidmaatschap van de CPH mee aan het anti-fascismenummer van Links richten. In 1937 werd hij redacteur van het protestantse Elckerlijc. In deze periode publiceerde hij christelijk-religieus werk. In dat jaar trouwde hij met Johanna Verstraate, zij schreef onder het pseudoniem Dignate Robbertz populaire streekromans. Een jaar later manifesteerde hij zich als redacteur van De Nieuwe Gids, die inmiddels onder leiding van Alfred Haighton in nationaalsocialistisch vaarwater terechtgekomen was.

In oktober 1940 werd hij lid van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB) van ir. A.A. Mussert en in 1942 stapte hij over naar de Nederlandsche SS. Gedurende de bezettingstijd publiceerde hij bij De Amsterdamsche Keurkamer onder meer de dichtbundels De ballade van het dagelijksche brood (1942) en Het zaad (1944). Hij fungeerde als lector voor het nationaalsocialistische Departement van Volksvoorlichting en Kunsten. Op basis van de leesverslagen van een lector werd bepaald of een boek voor uitgave in aanmerking kon komen — een lector fungeerde dus als censor. Hij was ook medewerker van de gelijkgeschakelde Nederlandsche Omroep. Voorts schreef Beversluis in het NSB-blad De Zeeuwsche Stroom scherpe, nationaalsocialistisch getinte bijdragen. In 1944 en 1945 was hij NSB-burgemeester van de Zeeuwse gemeenten Veere en Vrouwenpolder.

Na de oorlog werd hij na twee jaar internering op vrije voeten gesteld, zonder te zijn berecht. Bij de Perszuivering werd hem het uitoefenen van journalistieke werkzaamheden voor een periode van twintig jaar verboden. De Eereraad voor de Letterkunde besliste in eerste instantie dat hij voor tien jaar het recht om te publiceren verloor. In hoger beroep werd het vonnis teruggebracht tot drie jaar. Na de oorlog publiceerde hij nog enige dichtbundels.

(wikipedia)

meer info vind men onder andere hier

zaterdag 27 maart 2010

pull my daisy

Pull My Daisy (1959) is a short film that typifies the Beat Generation. Directed by Robert Frank and Alfred Leslie, Daisy was adapted by Jack Kerouac from the third act of his play, Beat Generation; Kerouac also provided improvised narration. It starred poets Allen Ginsberg, Peter Orlovsky and Gregory Corso, artists Larry Rivers and Alice Neel, musician David Amram, actors Richard Bellamy and Delphine Seyrig, dancer[1] Sally Gross, and Pablo Frank, Robert Frank's then-young son.

Based on an incident in the life of Beat icon Neal Cassady and his wife, the painter Carolyn, the film tells the story of a railway brakeman whose wife invites a respectable bishop over for dinner. However, the brakeman's bohemian friends crash the party, with comic results.

Originally intended to be called The Beat Generation the title Pull My Daisy was taken from the poem of the same name written by Kerouac, Ginsberg and Cassady in the late 1940s. Part of the original poem was used as a lyric in David Amram's jazz composition that opens the film.

The Beat philosophy emphasized spontaneity, and the film conveyed the quality of having been thrown together or even improvised. Pull My Daisy was accordingly praised for years as an improvisational masterpiece, until Leslie revealed in a November 28, 1968 article in The Village Voice that the film was actually carefully planned, rehearsed, and directed by him and Frank, who shot the film on a professionally lit studio set.

Leslie and Frank discuss the film at length in Jack Sargeant's book Naked Lens: Beat Cinema. An illustrated transcript of the film's narration was also published in 1961 by Grove Press.

Pull My Daisy was selected for preservation in the United States National Film Registry by the Library of Congress in 1996, as being "culturally, historically, or aesthetically significant".

The impromptu narration juxtaposed with particular shots portray the Beat Generation in an autobiographical sense. The film editing process began with a picture lock and was a conservative, narrative story arc conceived by Jack Kerouac, directed by Alfred Leslie and shot by Robert Frank. The narration was then improvised by Kerouac resulting in a film that defines the Beat Generation, making a comment on a number of topics representative of conservative America, including protests to industrialization, education, anti-Semitism, sexuality, gender roles, religion and patriotism.

(wikipedia)

writers at work (9)


dagnotities 27 maart 2010

omdat de mens toch weer eens over het dooie punt heen moet - voornemen nr. 60254 : dagelijks een notitie / ik geef toe dat dit voornemen veel vergelijkingen vertoond met nr. 16 / 232 / 341 / 398 etc. maar ergens zal het gelijk aan mijn zijde

---

de lange weg naar Groningen

in een trein
is het altijd prettig lezen
de stiltecoupé voor Elsschot
& iets verderop - Jan Cremer
die de rails bestudeert

we gaan er allemaal aan onderdoor

maar laten we daar vandaag
geen punt van maken

---

donderdag 25 maart 2010

writers at work (8)




vandaag in sepia - Novalis



Novalis, pseudoniem van Georg Friedrich Philipp Freiherr von Hardenberg (Oberwiederstedt, 2 mei 1772 - Weißenfels, 25 maart 1801) was een Duits auteur uit de periode van de romantiek.

Novalis was de tweede van elf kinderen. In 1794 beëindigde hij zijn Rechtenstudie in Jena, Leipzig en Wittenberg met glans. In maart 1795 verloofde hij zich - zonder dat zijn ouders ervan wisten - met de twaalfjarige Sophie von Kühn. Na haar dood in 1797 ging hij in Freiberg weer studeren, onder andere chemie en wiskunde. Ook op zijn tweede verloving, in 1798 met Julie von Charpentier, volgde geen huwelijk. Na een maandenlange ziekte overleed hij in 1801 vroegtijdig. Hierdoor werd hij een legendarische figuur (er bestaat zelfs zoiets als "Novalismus").

In zijn werk komen een aantal typisch romantische motieven terug: "Sehnsucht", melancholie, doodsverlangen, ... Ook het motief van de nacht speelde een grote rol in zijn poëzie (Hymnen an die Nacht, 1800). Het is de nacht die de sleutel biedt om de werkelijkheid te begrijpen en de ogen van de ziel opent. De blauwe bloem, die onder andere in Heinrich von Ofterdingen opduikt, is een motief dat voorgoed met Novalis verbonden blijft en waarin verschillende elementen samenkomen: droom, poëzie, liefde en het verlangen naar oneindigheid.

Novalis' oeuvre is vrij fragmentarisch. Een aantal teksten zijn samengebracht in het in 1798 verschenen Glaube und Liebe (voluit Glaube und Liebe oder der König und die Königin). In 1799 schreef hij in Die Christenheit oder Europa zijn visie op de geschiedenis van de Europese cultuur neer (in de stijl van François René de Chateaubriand). Die begint volgens hem bij de Middeleeuwen en bereikte een dieptepunt met de Franse Revolutie, waarna het weer beter gaat.

Van het eerder al vermelde Hymnen an die Nacht zijn twee versies bekend: de oorspronkelijke met vrije verzen en de versie in ritmisch prosa, zoals ze verschenen is in het tijdschrift "Athenäum" van de gebroeders Schlegel.

Novalis waagde zich ook aan een roman, Heinrich von Ofterdingen, die hij echter door zijn ziekte en zijn vroege dood niet heeft voltooid.

Novalis heeft een grote invloed uitgeoefend op het Europese symbolisme.


(wikipedia)

woensdag 24 maart 2010

charles Bukowski - the farewell tour

gastdichter : Michael Dransfield (1948 - 1973)



Parnassus mad ward

for libby

First day she hid in bed
under the covers. Then tried to climb up the wall.
On the third day she was telling a parable:
"there was a dead dog on a road. Rotting. Everyone thought
it ugly. But Christ said, "Its teeth, they are beautiful."'
Overcast Thursday, in the garden
she was picking flowers. 'I like pansies,' she said,
'my friends. They have faces.' Pressed one between the pages
of her sculpture book. It rained, we sat on a bench
beneath a maple whose starfish leaves swam in watery
afternoon. Wet grassblades green day everything green
the absolutest colour. Speaking later of Heine
wondering within myself how if poets become mad
there continues to be such colour and how
if gods shall have been discredited forgotten
there can still be innocents there can still be love.

---

Six months

for Paula

a smoke of tea
a fix
and a good lie
down
the doc gives me
six months to live

won't spend them
staying still

believe i'll
see some country
& love not left behind

---

shit

in the bluejean days
when acid was still legal
we used to sell shit for fourteen an
oz & everything was cool & the DS only had
three cops
now its thrity when you can
get it & the squad has thirty-two cops only we
call them pigs now & the heavies are getting all the
smolers busted so they can lay
smack on everyone

the perfect merchandise

customers for life

we know this cat
lives in Mombasa
where good shit's
dollar a kilo

asked him
what's it like living in Mombasa

been there a year & and he said
i don't know, man

---

meer gedichten leest men hier

sprokkelingen

Luisterboek Fritzi ten Harmsen van der Beek in april

Reeds eerder aangekondigd, maar nu dan echt op komst: een luisterboek met gedichten ingesproken door Fritzi ten Harmsen van der Beek (1927 - 2009). Lees verder op woest en ledig
---



hier treft u een interessant weblog over Henry Miller

---

Oorlogsbrieven van Salinger opgedoken

Er zijn nieuwe intieme brieven aan de oppervlakte gekomen van de Amerikaanse schrijver-kluizenaar J.D. Salinger, die onlangs op 91-jarige leeftijd overleed.

Het gaat om brieven die hij tijdens W.O. II schreef aan Werner Kleeman, met wie hij samen in het leger vocht. Lees verder op de site van nrc boeken

---

writers at work (7)


vandaag in sepia - Franz Krienbuhl



Franz Krienbühl (24 maart 1929 - 16 april 2002) was een Zwitsers schaatser en architect.

Internationaal was Krienbühl actief in de schaatsport van 1968 tot en met 1977. In deze periode nam hij negen opeenvolgende keren deel aan de Europese kampioenschappen, zeven keer aan de Wereldkampioenschappen allround en aan twee edities van de Olympische Winterspelen (in 1968 en 1976).

Zijn internationaal debuut maakte hij op 38-jarige leeftijd op de Winterspelen van 1968 in Grenoble. Op de allroundkampioenschappen eindigde hij meestal bij de laatsten. Hij wist zich vijfmaal voor de afsluitende vierde afstand, de 10.000 meter, te kwalificeren (viermaal op een EK -1969, 1973, 1974, 1976- en éénmaal op een WK -1974-). Tweemaal eindigde hij in de top tien van een afstand. Beide keren betrof het de 10.000 meter. De eerste keer was op 25 januari 1976 op het Europees kampioenschap waar hij tiende werd, de tweede keer, 20 dagen later, op 14 februari op de Winterspelen van 1976 in Innsbruck waar hij middels een persoonlijk record de achtste plaats behaalde.

Krienbühl introduceerde in 1974 het strakke, aerodynamische schaatspak. Er werd aanvankelijk om gelachen, totdat men ontdekte dat het dragen van een aangepast schaatspak de snelheid wel degelijk wist te verhogen. De rest van het deelnemersveld volgde al gauw; nog voor de Winterspelen van 1976 schaatste vrijwel iedereen in zo'n schaatspak. Ook aan de schaatsen zelf bracht hij verbeteringen aan.

In de periode 1968-1984 werd hij veertien maal schaatskampioen van Zwitserland, zijn veertiende titel behaalde hij in 1984 op 55-jarige leeftijd. Krienbühls beste prestatie was zijn 8e positie op de 10 km van de Olympische Winterspelen van 1976.

In 1989 raakte Krienbühl zwaar gewond na een aanrijding op de fiets. Gedurende de operatie kreeg hij een herseninfarct. Tijdens een verblijf in Davos wilde hij nog eenmaal schaatsen, maar daarbij viel hij. Daarna ging het slechter met hem. Hij overleed in april 2002.

(wikipedia)

De aflevering van andere tijden sport die aan hem gewijd werd, bekijkt men hier

maandag 22 maart 2010

writers at work (6)

van Goethe en citroenen

we lagen in het gras & jij
plukte een trein uit de lucht

of beter gezegd
je wees hem aan

want niemand weet
waarheen precies
daar staat nu een fabriek

tenminste

er komt rook uit

vandaag in sepia - Johann Wolfgang von Goethe



Duits schrijver, wetenschapper, toneelschrijver, romanschrijver, filosoof, dichter, natuuronderzoeker en staatsman, geboren 28 augustus 1749 in Frankfurt am Main, – overleden 22 maart 1832 in Weimar.

Goethe was de schrijver van onder meer Faust, Die Leiden des jungen Werthers en Zur Farbenlehre. In 1782 werd hij in de adelstand verheven.
Johann Wolfgang von Goethe wordt beschouwd als een van de allergrootsten van de Duitse literatuur. Hij was samen met Friedrich Schiller de belangrijkste vertegenwoordiger van het Duitse classicisme.

Biografie
Johann Wolfgang Goethe werd in 1749 in Frankfurt am Main geboren. Zijn vader was een welgestelde en ontwikkelde burger, die niet hoefde te werken voor zijn geld. Van de zes kinderen die zijn huwelijk voortbracht, overleefden alleen Johann Wolfgang en diens één jaar jongere zus Cornelia. Vader Goethe was vrij streng en stelde hoge eisen aan zijn zoon. Goethes moeder was een beminnelijk, warm mens, waaraan hij - volgens Goethe zelf - het plezier van het verhalen verzinnen aan te danken had.
De jonge Goethe kreeg - zoals gebruikelijk in die kringen - privéles aan huis en leerde zo Grieks, Latijn, Frans, Engels, Italiaans en Hebreeuws. Daarnaast werd hij in de geest van het Lutherse geloof religieus opgevoed met dagelijks bijbellezen en nam deel aan kerkdiensten.

Al op jonge leeftijd schreef hij gedichten, soms in een soort wedstrijdje met leeftijdsgenoten. Op zijn dertiende verjaardag kon hij zijn vader een boekje met eigen gedichten cadeau doen.

Studie
Op zijn zestiende wilde hij oudheidkunde in Göttingen gaan studeren, maar op last van zijn vader werd dit een rechtenstudie in Leipzig. Hier leerde hij tussendoor ook etsen, gravures maken en tekenen. Zijn eerste liefde ontdekte de 17-jarige Goethe ook in Leipzig: Het was Käthchen Schönkopf, de dochter van de restaurant-eigenaar van het restaurant waar hij dagelijks at. Maar o.a. door zijn eigen jaloerse stemmingen verbrak hij de relatie uiteindelijk op vriendschappelijke wijze.

Na drie jaar studie werd hij ernstig ziek en kon pas na anderhalf jaar, in 1770, naar Straßburg om zijn studie af te ronden. Het betekende een nieuwe start voor hem. Hij rondde zijn rechtenstudie - waarvoor hij zich niet bijzonder interesseerde - snel af, en hield zich met een breed aantal wetenschappelijke thema's bezig. Hier leerde hij Gottfried Herder kennen, die hem kennis liet maken met het werk van shakespeare, van Ossian en Pindarus en de volkspoezië, die de 'oudste getuigenis van literaire verbeeldingskracht' betekende. Goethe nam afstand van de Rococostijl, die hij tot dan toe probeerde na te bootsen.

In zijn Straßburger tijd werd Goethe verliefd op Friederike Brion, een domineesdochter uit het nabijgelegen Sesenheim. In deze tijd ontstond een stroom van gedichten, waaronder 'Willkommen und Abschied', 'Heidenröslein' en het 'Mailied'. Toch kwam aan deze idyllische tijd ook een einde door zijn eigen twijfels.

Zijn rechtenstudie sloot hij niet af door middel van een promotie. Zijn proefschrift bevatte namelijk o.a. pittige uitspraken over het christelijk geloof, waar de juridische faculteit zich niet aan waagde. Hij kreeg echter de gelegenheid aan de hand van een bespreking van thesen de titel 'Lizentiat der Rechte' te halen, wat in die tijd vrijwel gelijkstond aan een doktorstitel.

Sturm und Drang
Op zijn 22ste, in 1771, werd Goethe advocaat bij een rechtbank in Frankfurt. Maar het was vooral de literatuur, waar zijn hart lag. Hij schreef de Rede 'Zum Shakespärs Tag', waarin hij aan de hand van het grote Engelse voorbeeld een pleidooi hield voor een nieuwe literatuur in Duitsland: weg van het Rokokotheater en het Franse classistische regeltheater luidde het motto; op naar het ongekunstelde, natuurlijke theater, samengevat in het trefwoord 'Natuur', waarin de individualiteit van de mens met het natuurlijke lot in aanraking komt. Goethe schrijft in deze tijd het eerste ontwerp voor 'Götz von Berlichingen', alsmede vele recensies voor het moderne tijdschrift 'Frankfurter Gelehrte Anzeigen'.

Wetzlar en terug naar Frankfurt
Op voorstel van zijn vader gaat Goethe in 1772 naar Wetzlar, waar hij als stagiaire bij het Reichskammergericht zijn juridische kennis kan uitbreiden. Goethe zelf is echter vooral blij dat hij - nog meer dan in Frankfurt - zijn eigen gang kan gaan.

Die Leiden des jungen Werthers
Hij wordt verliefd op Charlotte Buff, de verloofde van een goede vriend van hem, Johann Christian Kestner. Deze onmogelijke relatie leidt tot spanningen en op aanraden van een goede vriend laat hij Wetzlar voor wat het is en keert terug naar Frankfurt. In vier weken schreef hij de briefroman 'Die Leiden des jungen Werther', waarin hij zijn liefdesverdriet met het bericht van een zelfmoord in een vergelijkbare situatie combineerde. Het boek werd mede door de onverholen kritiek aan de maatschappelijke verhoudingen een succes. Sindsdien was hij beroemd in literaire kring en daarbuiten.
Het boek is een typisch product van de Sturm und Drang-periode. De protagonist, Werther, laat zijn handelen volledig door zijn gevoelens leiden wat onder meer leidt tot de tragische afloop van het boek.
Goethe heeft later in zijn leven afstand genomen van dit boek. Hij vond het jammer dat het populairder was dan bepaalde andere werken, en zat in zijn maag met het grote aantal zelfmoorden naar aanleiding van het boek. In 1939 heeft Thomas Mann naar aanleiding van dit boek Lotte in Weimar geschreven.

In zijn Frankfurter tijd was hij ongekend productief. Ook nam hij in een anonyme publicatie stelling tegen dogmatisme, orthodoxie en rationalisme op geloofsgebied en bekende zich tot een gevoelschristendom naar piëtistische wijze en tot een tolerantie zonder onverschiligheid. In 1775 wordt hij verliefd op Lili Schönemann; het komt zelfs tot een verloving. Maar hij huivert terug als het erom gaat zich te binden, voelt zich in een huiselijk leven na een huwelijk beperkt in zijn drang om te werken aan zijn projecten en verbreekt toch weer de relatie. Hij volgt de uitnodiging van de jonge Hertog Karl August von Sachsen-Weimar om voor enige tijd naar Weimar te komen.

Weimar (1775-1786)
De kersverse Hertog Karl August werd een persoonlijke vriend van Goethe. Het hof van Weimar stond onder diens moeder, de weduwe Hertogin Anna Amalia, in het teken van kunsten en wetenschappen. Zo vertoefde er o.a. Wieland als opvoeder van haar zonen, Herder kwam in 1776 naar het hof. Goethe zelf wilde zich op de proef stellen en niet langer een willekeurig leven leiden. In 1776 treedt hij officieel in dienst bij de Weimarer Staatsdienst als Geheimer Legationsrat. Vele andere taken zouden volgen, waaronder mijnbouw, brandvoorschriften, waterbeheer, recruten werven enz. Dankzij de mijnbouw verdiept hij zich in de mineralogie en geologie. Door zijn werk bij de universiteit van Jena verdiept hij zich in de anatomie. Maar ook op literair gebied blijf hij actief, zij het minder dan voorheen. Een belangrijke rol speelt Charlotte von stein, waarvoor hij een diepe vriendschap koestert. Mede door haar invloed zoekt hij meer naar rust en reinheid, wil hij af van de wilde grillen uit zijn jeugdjaren. In deze tijd schrijft hij 'Iphiginie auf Tauris' en delen van 'Torquato Tasso'. Omstreeks 1780 komt hij tot de conclusie dat hij het aanvankelijk aangenaam vond om te baden in het werk, maar nu wil hij zich aan de wetenschappen en kunsten wijden. Hij vraagt onbepaald verlof aan bij Karl August en vertrekt in 1786 nogal plotseling naar Italië.

Italië (1786-1788)
In Italië bestudeert Goethe de klassieke kunst(geschiedenis) en voelt zich er meer dan thuis. Hij vindt eindelijk de zo gewenste rust in zichzelf. Tussendoor bestudeert hij nog steeds allerlei wetenschappelijke zaken, zoals zijn studie naar een model van de oerplant, die het mogelijk maakt het allesverbindende principe in alle planten te doorzien.

Terug in Duitsland (1788-1794)
Na zijn terugkeer uit Italië heeft Goethe aanpassingsproblemen in zijn vaderland. Contacten met oude vrienden verlopen moeizaam of mislukken. Charlotte von stein neemt hem zijn plotselinge vertrek naar Italië nog steeds kwalijk; waarna ze in 1789 de relatie verbreken.

Hij ontmoet de dichter Friedrich Schiller, maar hun band blijft vooralsnog een afstandelijke. Schiller vond hem een boeiende persoon, maar ergerde zich aan de manier waarop Goethe zich geliefd wist te maken, zonder - volgens Schiller - zichzelf te geven.

Goethe leeft in Weimar samen met Christiane Vulpius, maar van hun vijf kinderen overleeft alleen August, de eerste zoon. Zijn werkzaamheden voor de staat Weimar kennen sinds 1788 nog maar een beperkte omvang. Hij stort zich nu op de leiding van het Weimarer Hoftheater en zijn kunst- en wetenschappen aan de universiteit van Jena.

In 1790 verschijnt 'Die Metamorphose der Pflanzen', waarin hij zijn evolutieleer beargumenteert met het de these dat alle planten tot een basisorgaan te herleiden zijn: het zich uit een kop ontwikkelende blad.

Naar aanleiding van studies in de dierkunde ontwikkelt hij in de loop der jaren de these, dat alle vormen in organische beweging, in wording, aan verandering onderhevig zijn. ('Gestaltlehre ist Verwandlungslehre'). Parallel hieraan was zijn visie op de Franse revolutie. Hij was voor veranderingen, maar keurde het geweld van een revolutie als middel hiertoe af.

In 1792 bevindt hij zich in het gevolg van de troepen van Hertog Karl August, toen deze samen met de Oostenrijkse troepen tegen de Franse revolutionaire legers vochten. Maar het wapengekletter had niet zijn belangstelling.


In Weimar worden Johann Wolfgang von Goethe en stad- en tijdgenoot Friedrich von Schiller geëerd met een standbeeld.1794-1805 Klassieke tijd: samenwerking met Friedrich Schiller (Weimarer Klassik)
De tegenstellingen tussen Goethe en Schiller blijken minder groot dan bij hun eerste ontmoetingen leek. Was Goethe niet bijzonder gecharmeerd van de revolutionaire toon in 'Die Räuber', welnu Schiller had net als Goethe een rustiger levenshouding gekregen o.a. onder invloed van de ideeën van de filosoof Kant. Al snel verbindt het streven naar een normatieve kunstbeschouwing beide schrijvers en ontstaat er een inspirerende samenwerking. Goethe weet Schillers hang naar het extreme te matigen; Schiller slaagt erin Goethe weer meer voor zijn literaire werk enthousiast te maken. Uit deze samenwerking ontwikkelde zich een stijl, die wordt aangeduid met de term Weimarer Klassik.

Beiden schrijven ze bij elkaar bijna duizend Epigrammen, de 'Xenien' (1796), een literaire polemiek waarin het publiek en vervelende recensenten het moeten ontgelden. Deze werden gepubliceerd in publiceerde hij in de Musenalmanach. Ook schrijven ze een groot aantal balladen en stimuleerden elkaars literaire productie in brede zin. Onderwerp van gezamenlijke studie waren o.a. de gebeurtenissen rond de Franse Revolutie en de esthetica in de kunst. In een uitvoerige briefwisseling met Schiller tracht Goethe een kunstbegrip te definiëren. Centraal staat de harmonie, zelfvervulling, het 'Wahre, Schöne, Gute', het voorbeeld van de antieke kunst als basis van een waardige, innerlijk rustende cultuur. Ook qua vorm worden de gedichten en literaire werken van beide dichters klassiek, zoals de 'Römische Elegien'.

In 1799 verhuist Schiller van Jena naar Weimar en werken ze nog intensiever samen. Bijvoorbeeld aan het Weimarer Theater, waar ze hun klassieke idealen uitproberen. In dit decennium groeit Weimar tot een centrum van de cultuur. In 1805 komt met de-dood van Schiller een abrupt einde aan de samenwerking. Goethe, in deze tijd geplaagd door een reeks van ziektes, ervaart de dood van zijn vriend als een zwaar verlies.

Tijdens zijn jaren in Weimar, voordat hij Schiller ontmoette, begon hij met het schrijven van Wilhelm Meister. Hij schreef de toneelstukken Iphigenie, Egmont, Torquato Tasso, en zijn Reineke Fuchs. Bij de periode van zijn vriendschap met Schiller horen de voortzetting van Wilhelm Meister, de mooie idylle Hermann und Dorothea en Romeinse Elegieën.

Napoleontische tijd en laatste levensjaren (1805-1832)
De invasie van de Franse troepen deed Goethe weinig, nationale gevoelens van verzet of haat - zoals velen van zijn tijdgenoten die hadden - waren hem vreemd. Hij was onder de indruk van Napoleon, toen hij hem in 1808 ontmoette en zag in hem iemand die de chaos, veroorzaakt door de Franse revolutie, wist te beëindigen.

Hij zette in die tijd zijn wetenschappelijke werk voort, schreef een 'Metamorphose der Tiere' en werkte aan zijn kleurenleer. Anders dan bijv. newton, die ervan uitging dat in het witte licht alle kleuren voorhanden waren, ging Goethe vanuit een ontwikkelingsbiologisch standpunt ervan uit, dat alle kleuren door combinaties van licht en donker ontstonden. In het oog zou al een soort innerlijk licht zijn (je kunt je in het donker immers ook allerlei dingen voorstellen, 'voor ogen halen')), dat door het licht van buiten geprikkeld wordt, waardoor je de juiste dingen in de juiste kleuren ziet. Dit komt overeen met de natuurlijke ontwikkeling van het leven, waarin organen (in dit geval een zintuig) zich ontwikkelen omdat de natuur dit afdwingt. De zin van zien is dat de natuur vereist dat het zichtbare (vorm en kleur) herkend wordt. Ook op literair gebied stond hij niet stil.

Hij schreef verder aan 'Faust', 'Wilhelm Meister' enz. Ook begon hij in 1811 met zijn autobiografie 'Dichtung und Wahrheit'.

Met de romantische stroming van deze tijd had Goethe niets op en bleef zijn klassieke kunstidealen trouw. Mede naar aanleiding van de kennismaking en vriendschap met de bankiersdochter Marianne von Willemer schreef hij weer een reeks gedichten. In 1816 stierf zijn vrouw Christiane. In 1817 werd hem de leiding van het Weimarer Hoftheater ontnomen, wat zijn relatie tot Karl August onder druk zette. In de laatste decennia van zijn leven werkte hij gestaag verder aan zijn projecten en correspondentie. Tussendoor ontving hij een groot aantal bezoekers, meestal wetenschappers, kunstgeleerden, ontdekkingsreizigers, pedagogen enz. Literaire schrijvers waren in de minderheid. Zijn zoon August trad in dienst van de staat Weimar en hielp hem bij zijn toezichthoudende taken op het gebied van de kunst- en wetenschapsbeoefening. In 1823, tijdens een kuurreis, werd de 74-jarige verliefd op de 19-jarige Ulrike von Levetzow. pas op- het laatste moment brak hij zijn huwelijksverzoek af. Steeds meer keek hij terug op zijn leven en nam afstand, zichzelf ook historisch betrachtend. Dit weerhield hem niet van nieuwe uitdagingen. Hij probeerde een algemene indruk van de literatuur te krijgen en las als een bezetene de Europese dichters van zijn tijd, maar verdiepte zich ook in indische en chinese literatuur. Uiteindeijk leidde dit tot zijn begrip 'Weltliteratur', waarmee hij het veronderstelde proces van voortdurende wisselwerking tussen de verschillende nationale literatuurtradities beschreef.

In zijn laatste levensjaren merkte hij de afstand tot zijn tijdgenoten steeds meer en moest de dood van vele vrienden en bekenden verwerken, waaronder die van zijn eigen zoon in 1828. Alleen de plicht om zijn werk, waaronder zijn levenswerk 'Faust', af te ronden, hield hem op de been. Hij stierf op 82-jarige leeftijd.

Nadat zijn laatste kleinzoon was overleden, werden zijn boeken eigendom van Schillers erfgename, de groothertogin van Saksen-Weimar-Eisenach, Sophie. Die richtte in 1889 het Goethe-Schiller-Archiv op.

(kunstbus)

zondag 21 maart 2010

we zochten slechts een gat om van te varen



op 1 april aanstaande zal bovenstaande bundel met werk van Boris de Jong, Martijn Teerlinck, Kira Wuck & Jürgen Smit gelanceerd worden in Delicatessen, Sumatrastraat 32, om 20.30.

writers at work (5)


vandaag in sepia - Abraham Jacob van der Aa



Abraham Jacob van der Aa (Amsterdam, 7 december 1792 - Gorinchem, 21 maart 1857) was een Nederlandse letterkundige, die voornamelijk bekend is geworden door zijn Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden.

Dit Aardrijkskundig Woordenboek bestond uit veertien delen en werd tussen 1839 en 1851 gepubliceerd door de uitgeverij van Jacobus Noorduyn te Gorinchem. Het werd samengesteld met behulp van talloze regionale historici en andere wetenschappers. Eén van die historici was Adriaan Brock (1775-1834), die onder meer materiaal over Zuidoost-Brabant aanleverde.

De conscriptie bracht hem onder de zeemilitie, de oorlog maakte hem krijgsgevangene in Engeland, de herstelling veranderde hem tot landsverdediger; dat alles van 1812 tot 1817. Daarop werd hij boekhandelaar te Leuven; twee jaren later verwisselde hij dat hem onbekende vak met het onderwijs; van 1825 tot de Omwenteling van 1830 schreef hij bij de Antwerpse auditeur-militair en vluchtte toen naar Breda, vanwaar hij menig gevaarlijke tocht, ook naar Antwerpen waagde. Sedert 1841 woonde hij te Gorinchem waar zijn Aardrijkskundig Woordenboek verscheen, en overleed daar op 21 maart 1857.

(wikipedia)

zaterdag 20 maart 2010

writers at work (4)


sprokkelingen

De Ronde van Italië van 1924 was opzienbarend, omdat de vrouwelijke rijdster Alfonsina Strada deze voltooide. Zij is nog steeds de enige vrouw, die dit flikte. Een boek over haar leven verschijnt in april - lees verder op sportgeschiedenis.nl

---

donderdag 18 maart 2010

writers at work (3)


vandaag in sepia - Paul van Ostaijen



Paul van Ostaijen
(1896-1928)

Ik ben geboren. Dit moet worden aangenomen, alhoewel een absoluut-objektief bewijs niet is voor te brengen. Axioom is het domein van de subjektieve ervaring. Objektief is het slechts gissen. Dus: zijn wij geboren? Zien. Tasten. Maar lachen om het weinig overtuigende van dit bewijs. Ik vraag; Wie is wel degelijk geboren?
Op tweejarige leeftijd: spoorwegramp. Schrik zonder kennis daargelaten, geen boze gevolgen. In de zware struggle for life met bitterheid daarover gemediteerd. Mijn leven begon met ontsporing. Zó begrijpelijk dat ik het leven steeds van deze zijde beschouw; hoe ontspoor ik op de voordeligste wijze. Want dat een mens dáár is in te ontsporen, daaraan kan ik, vroeg ontpoorde, niet twijfelen. Was deze spoorwegramp wel werkelijkheid? Is zij misschien enkel lokalisatie van een vroegrijpe wil tot ontsporen? Of nog: onduidelijke herinnering van een zeer vroege 'Alpdruck'?

Mijn bloedverwanten droomden: muzikale wonderknaap. Evenwel geen talent. -- Maar toestanden uiterst gunstig. Slechts eenmaal voetbal gespeeld. Voldoende om een 10 x 2 centimeter lang op breed litteken te behouden. Ik speel geen voetbal meer. Mijnheren, ik ben een slachtoffer van de sport.

Na zorgeloos leven kamp voor het bestaan te Berlijn, Potsdam en Spandau. Niet romantisch. Fantasie is de vertelling dat ik het van liftboy tot eigenaar van een nachtlokaal zou hebben gebracht. Ben veel te primitief om vooraanstaande plaats in de samenleving te bekleden. Spijts zeer verlangend het niveau der vlaamse dekadenten te berieken, begrijp ik mijn 'Unfähigkeit'. Op het punt leraar voor ritmisch-typografische poëzie te worden benoemd, moest ik bedanken daar niet in het bezit van een geklede jas. In de tang van de struggle f.l. sigaretteventer, oppikker (Schlepper) in dienst van een nachtlokaal alwaar naaktdansen. Eindelijk fatsoenlijke plaats door voorspraak van een vooraanstaande kunstcriticus: verkoper in een schoenmagazijn, afdeling dames. Vandaar sterke beïnvloeding. Zie: 'sikkelbeen', 'siderische slinger' = invloed schoenmagazijn afdeling D.

Zeer gelukkig om deze goede situatie, alhoewel met weemoed naar het Westen starend. Le bonheur est fait d'un je-ne-sais-quoi mélancolique. Brussel. O deze luxestad nog éénmaal zien. Sterven met de weelde van een Brusselse bar in perspektief. O Wonne.

Drie boeken uitgegeven: 'Music-Hall', 'het Sienjaal', 'Bezette Stad'. Misschien is ook dit slechts massahypnose. Wie kan dit bewijzen dat hij deze boeken heeft gelezen? Laat staan: begrepen. God beware: begrepen: Ik zelf heb ze niet begrepen.

(Zelfportret)

woensdag 17 maart 2010

writers at work (2)




uit het schetsboek geklapt


vandaag in sepia - lawrence oates



Lawrence Edward Grace Oates (Londen, 17 maart 1880 - Antarctica, 17 maart 1912) was een Brits ontdekkingsreiziger en militair.

Hij maakte deel uit van de expeditie van Robert Falcon Scott naar de zuidpool in 1911 en 1912. Deze expeditie slaagde erin de zuidpool te bereiken, maar pas een maand na de Noor Roald Amundsen. Op de terugweg was Oates zo verzwakt dat hij zijn medereizigers ophield. Op 17 maart 1912, zijn verjaardag, besloot hij zich op te offeren. Hij verliet de tent tijdens een sneeuwstorm en werd nooit meer teruggezien. De laatste woorden die hij tegen zijn medereizigers zei, "I am just going outside and may be some time" zijn wereldberoemd geworden en hebben ervoor gezorgd dat hij als held beschouwd wordt.

writers at work (1)


maandag 15 maart 2010

uit het schetsboek geklapt

Henry Miller's Paris notebooks

vandaag in sepia



15 maart 1971 - De Belgische prof wielrenner Jean-Pierre Monseré kwam om tijdens de Grote Jaarmarktprijs in Retie. Monseré kwam ten val nadat hij een aanrijding met een auto had gehad, hij overleed ter plaatse.

Jean-Pierre Monseré werd geboren op 8 september 1948 in Roeselare, België. Hij begon al vroeg met wielrennen en was als jeugdrenner niet een enorme uitblinker. Op het moment dat hij prof werd ging het steeds beter.

In 1969 won Monseré de Ronde van Lombardije en een jaar later op 16 augustus 1970 werd hij Wereldkampioen bij de profs in Leicester, Engeland. Hij kon echter niet lang genieten van zijn prestaties.

Tijdens de Grote Jaarmarktprijs van Retie kwam Monseré in aanrijding met een auto en kwam ten val, toegesnelde hulpdiensten kwamen te laat. Monseré overleed ter plaatse en werd slechts 22 jaar oud.

Zijn zoon werd een aantal jaar later ook op de fiets door een auto aangereden en ook hij zou het niet overleven.

zondag 14 maart 2010

Boudewijn en een doorschoten Sebastiaan



Terwijl ik gisteren op mijn gemak door de basiliek van Oudenbosch kuierde trof ik onder andere het bovenstaande beeld aan van de heilige Sebastiaan.

Sebastiaan bekeerde zich in het geheim tot het Christendom, omdat de christenen toen nog door de Romeinen vervolgd werden, en hielp de mensen die leden onder die vervolgingen. Als soldaat onder Diocletianus zou hij wonderen hebben verricht en hield hij lange redevoeringen. Hij wist de tweeling Marcus en Marcelianus te overreden de marteldood vooral toch te sterven.

Hij viel hierdoor in ongenade bij de keizer, nadat die ontdekte dat hij christen was. Soldaten arresteerden hem en doorzeefden hem op het Marsveld met pijlen. Volgens een ander verhaal werd hij naakt aan een boom of paal gebonden.

De heilige Irene, weduwe van de martelaar Castulus, wilde hem begraven maar merkte dat hij nog leefde. Ze nam hem mee naar huis en lapte hem op. Enkele dagen later stond Sebastianus op de trappen van de tempel van Sol Invictus om de twee keizers te wijzen op hun onrechtvaardig optreden tegen de christenen. Opnieuw werd hij gearresteerd en in het Circus van Rome doodgeknuppeld; zijn lichaam werd in de Cloaca Maxima (riool) gegooid. De Heilige Lucina (een ander verhaal zegt dat het Irene was) viste zijn resten op uit de drek, waste het lichaam en begroef hem in de catacomben aan de Via Appia, bij de toenmalige apostelbasiliek, op de plaats waar nu de basiliek van Sint-Sebastiaan buiten de Muren staat.

Dit alles deed me denken aan een gedichten cyclus van Boudewijn Büch - die ik hieronder even weer zal geven - het komt oorspronkelijk uit de bundel Dood Kind : Arbeiderspers 1982.

Sebastiaan doorschoten


zoals ik jou te Vorden zie. Het kerkhof
met de eeuwen dood. Hier ligt geen stof
meer om te treuren. Hier is het overlijden feest
naast neergehaalde vliegers in de nacht : een beest

met schoongebleekt karkas. De dichter Staring
och, hier rust blauw op zijn verjaring
en aan de linkerzijde een jonggestorven Prins
gebeiteld is de zerk niet meer van zins

dan dat kinderen tot Hem moeten komen
het regent. Geen neerslag. Geen klagend tonen

je bent een blonde putto, liefste en je leest:
tot zich genomen, God zij gevreesd
tussen zijden linten en plastic kransen

ik wil vanavond, Ruurlo, met jou discodansen

---

het onbereden paard, een katafalk
een zeemansgraf, verhangen aan de zolderbalk
onbekend als een soldaat, stuntpiloot
as drijft op Ganges, schijndood

is de taal die nog beweegt
waarin jouw schoonheid zweeft -
je dringt niet tussen de moleculen
eb & vloed als een pendule

soms gaat de maan er mee vandoor
dan sla je neer op het strand & schor

beluister ik , hoe je met het speelgoed praatte:
Beer / de pop / is in bad verdronken, laat me

spelen, dat ik ben matroos!

ik hoor je putto, ademloos

---

ik wilde niet langer bij jou zijn. Liever
slaap je toch alleen. Goudplevier
jij, schoon en lief, die al het jongensleven kent
maar niet de weemoed in het doodssegment


waarop al mijn taal verzameld is
ik ben daar duizend delen digitalis
op enkel water. Wat vloog
maakt ieder lied tot schijnbetoog

want jij bestrijkt een ander ruim
geen hemel & geen zeeschuim
betrekt zich op jouw jongensheid

jij reist door het kanaal
met vleugelboot van MS Vrolijkheid
die aanvaart met de Prins, een scheepsjournaal

---

soms kan het lied dit niet voldoen:
wanhoop naast de Prins toen
ik in het hotel Amigo, verborgen onder laken,
verlangde dichter tot hem aan te raken

verschrijf het dromend sterven. Het naakt
dat slaapt, ontoegankelijk gemaakt.
twee zijden op de rechthoek zijn gescheiden
weemoed ligt op één van beide

alsof ik op het kerkhof rust
een zerk opricht. Kus
ik marmer. Bloemen, onbegoten

Sebastiaan / doorschoten
je hebt verbruid. Vannacht
van schoonheid stil. Op wacht

---

ik doe met taal maar vreemde dingen
probeer met woorden te verspringen

wil alles op de dood berijmen
ieder vierkant zwart omlijnen

ingevuld met blauw. Een thermica
o, dichten is een betaalde asla

met een jongen als de rest: de poëzie
licht ontvlambaar brandt melancholie

dichter tot het stof
kerk- en prinsenhof

(....)


© Boudewijn Büch


Pieter Jong & het Zouavische heldendom


Pieter Jong geb. Lutjebroek 24-2-1842, z.v. Jan Jong, bouwman, en Trijntje Bakker. Als landbouwer uit Lutjebroek te Brussel 22-1-1866, matr. no. 2063. Overl. Monte Libretti 13-10-1867.

Over deze "Reus van Lutjebroek", zoals hij genoemd werd, is veel geschreven. Hij had een enorme, imposante gestalte en stak, aan tafel zittend, met zijn schouders boven de hoofden van anderen uit. In Rome moest een speciaal uniform voor hem worden gemaakt. Hij stierf in de gevechten bij de bestorming van Monte Libretti. Na zelf 14 Garibaldisten gedood te hebben met de kolf van zijn geweer, door deze als knuppel te gebruiken, werd hij met dertig bajonetsteken gedood toen hij van uitputting in elkaar was gezakt. Hij werd met 12 andere gesneuvelde zouaven begraven in de kapel van O.L. Vrouw van Paso te Monte Ubretti.

& nee, een zouaaf is geen neger



een zouaaf was een soldaat uit het pauselijk leger uit de periode van 1860 tot 1870. Om meer te begrijpen van de zouaven geschiedenis moeten we eerst teruggaan naar het Italië van rond 1850. Italië bestond toen uit meerdere onafhankelijke staatjes en koninkrijkjes. In het midden van Italië lag de kerkelijke staat. De paus was niet alleen hoofd van de katholieke kerk maar tevens staatshoofd van deze staat. Rond 1850 ontstond er een beweging die streefde naar het tot stand komen van een verenigd Italië. Grote voorvechters van deze beweging waren Guisseppe Garibaldi en koning Victor Emanuel van het koninkrijkje Piëmont. De in 1846 tot paus Pius de negende gekroonde kerkvorst prakkiseerde er echter niet over om ook maar een stukje van zijn land af te staan. Hij kon rekenen op militaire steun van de Franse keizer Napoleon de derde. In 1864 moest de Franse keizer om politieke redenen zijn militaire steun verminderen. De paus besefte dat hij dan niet meer was opgewassen tegen zijn tegenstrevers en deed een beroep op de katholieke jongeren van Europa om hem militair te helpen door dienst de nemen in zijn leger, de zouaven. Zie http://www.zouavenmuseum.nl/ . Rondreizende priesters brachten ook in Nederland deze pauselijke oproep rond. In het Brabantse Oudenbosch liet een zekere pastoor Hellemons een zouaven opvangcentrum inrichten. De vrijwilligers die toe wilden treden gingen van hier uit door naar Brussel voor een medische keuring. Werden zij goedgekeurd dan tekenden zij een 2-jarig dienstverband. Vanuit Brussel ging het dan per trein via Parijs naar Marseille en vandaar per schip naar Rome. In totaal waren er onder de 11.036 geregistreerde zouaven 3181 Nederlanders. Vermoedelijk zijn het er meer geweest. Vanuit Brabant en Limburg gingen vrijwilligers op eigen houtje naar Brussel en werden toen gemakshalve als Belg geregistreerd. (In ieder geval is het een opmerkelijk hoog aantal. Er zijn in onze geschiedenis wel vaker Nederlanders in vreemde krijgsdienst getreden zoals tijdens de boerenoorlog, de Spaanse burgeroorlog en in de tweede wereldoorlog maar alleen in de tweede wereldoorlog waren het er meer als bij de zouaven). De beroemdste Nederlandse zouaaf is ongetwijfeld Pieter Jong uit Lutjebroek geworden. Deze sneuvelde op 18 oktober 1867 nadat hij, verstoken van munitie, zijn geweer als knuppel gebruikend, 14 tegenstanders doodgeslagen heeft. Dat gebeurde bij de slag om Monte Libretti. Hun grootste zegepraal behaalden de zouaven op 3 november 1867 bij de slag bij Mentana. Daar brachten 5000 Zouaven een verpletterende nederlaag toe aan 15.000 Garibaldisten. De weerklank van deze zege deed nogmaals vele vrijwilligers toestromen. Na deze veldslag zijn er voorlopig niet meer gevechten geweest dan schermutselingen met rondtrekkende struikroversbendes. In juli 1870 werden de laatste Franse militairen teruggetrokken. Dit betekende het einde van de kerkelijke staat. In september 1870 was de slag om Rome. De paus begreep dat 5000 zouaven het niet konden opnemen tegen 60.000 tegenstanders. Om verder bloedvergieten capituleerde hij. De zouaven werden krijgsgevangen gemaakt en binnen een week op de trein naar huis gezet. In oktober 1870 keerden de Zouaven in hun woonplaatsen terug en werden als helden ingehaald. Pas in 1929 werd er vrede gesloten tussen de paus en het koninkrijk Italië. Toen ontstond Vaticaanstad zoals wij dat heden nog kennen.

Over de zouaven zelf: Om zouaaf te kunnen worden moest men uiteraard in de eerste plaats katholiek zijn en een verklaring van goed gedrag van de plaatselijke pastoor kunnen overleggen. Ordinaire avonturiers en huurlingen werden afgewezen. De zouaaf werd gedreven door zijn geloof en door de overtuiging voor een rechtvaardige zaak te vechten. Hun strijdkreet was: "De zaak des pausen is de zaak van God!". Toch is er nog een belangrijke reden geweest om dienst te nemen: Men hoopte dat indien men met roem overladen thuiskwam dan zijn maatschappelijke en sociale positie aanmerkelijk zou kunnen verbeteren.

bron : zouaven uit Bussum

oudenbosch





dagnotities 14 maart 2010



Jotie

't hooft
gebogen

over de restanten
van een stad

achteloos

vogels
uit de lucht geschoten

in mijn schedel reeds
& nesten zat

---

we zochten slechts een gat om van te varen



Deze vier dichters openen een nieuwe reeks poëzieuitgaves door Delicatessen - de smaak van kunst en cultuur - in Amsterdam. Avond verzorgd door Bas Jacobs en Boris de Jong - entertainment door Inktank - voordrachten van Jürgen Smit, Martijn W.Z. Teerlinck, Kira Wuck en Boris de Jong.

woensdag 10 maart 2010

vandaag in sepia - Laurie Langenbach



Laurie Langenbach (Den Haag, 10 maart 1947 - Den Haag, 25 oktober 1984) was een Nederlands schrijfster en publiciste.

Langenbach groeide op op Borneo. Later was ze enige tijd zangeres van de Amsterdamse progressieve rockband Ahora Mazda. Met deze band maakte ze in 1970 een plaat met dezelfde naam. Ook schreef Langenbach veel songteksten.

Als twee flowerpower-meisjes, richtte zij samen met Dini Damave 'Woman Power' op, een feministische groepering, naast het door linkse studenten en studentes opgerichte 'Dolle Mina', dat wel veel succes oogstte.

Langenbach begon haar schrijverscarrière als een van de eerste medewerkers van het tijdschrift Hitweek. Willem de Ridder en Peter J. Muller 'ontdekten' haar op een landelijke fanclubdag in Utrecht. Tot dan toe schreef zij stukjes in het fanclubblad van ZZ en de Maskers. Muller vond haar 'mysterieus mooi' en biechtte haar zijn liefde op. Toen bleek echter dat Langenbach al heel lang verliefd was op de sologitarist van ZZ en de Maskers.

Haar debuutroman Geheime liefde, maakt duidelijk hoe obsessief zij in de liefde kon zijn. Haar jarenlange onbeantwoorde 'geheime liefde' betrof dit keer de schaker Jan Timman. Het werk deed nogal wat stof opwaaien. Haar werk wordt wel omschreven als sensueel, zintuiglijk en subjectief.

Langenbach was de laatste jaren van haar leven de levensgezel van Wally Tax en stond sterk onder invloed van de omstreden macrobioot Adelbert Nelissen. In 1983 manifesteerden zich de eerste tekenen van baarmoederhalskanker maar ze wilde er niets aan laten doen. Langenbach wilde niet leven in een incompleet lichaam en vond dat haar ziekte niet-operatief verholpen moest worden. Ze ging samen met haar partner gedurende zes maanden naar een reeks Japanse trainingskampen van een genezer, genaamd Oki. Bij de behandeling ging het om een mengeling van religie en genezing. Ze leenden twintigduizend gulden om de reis en behandeling te kunnen betalen. Tax ging mee, ook al hij geloofde er niet zo in. Langenbach overleed niet lang daarna.

Bibliografie
1977 - Geheime liefde
1978 - Hier mijn hand en dáár je wang: wat intieme correspondentie (briefwisseling met Heere Heeresma)
1980 - Vera
1981 - Gevallen vrouwen
1981 - De Derde Deur. (samen met Bertus Aafjes, Remco Campert, Louis Ferron en Jan Willem Holsbergen; verhalen, relatiegeschenk, niet in de handel)
1983 - Al dat zweet

bron: wikipedia

maandag 8 maart 2010

uit het schetsboek geklapt


dagnotities 8 maart 2010


bij het lezen van een biografie

bedacht me vanmorgen ineens
dat de hoeveelheid handafdrukken
die mij scheiden van adolf hitler
weleens minder zouden kunnen zijn
dan van pak hem beet de joodse
slager op de hoek & vond dat eigenlijk
best een onthutsende gedachte voor
zomaar een maartse maandagochtend

---

dat 't dooit

de dictator slaapt
met zijn mond open
als de dromenvanger
louter wind

't roddelt hoofden
in de sneeuw

& alle stemmen dansen

---

geknipt voor u - ellen deckwitz

vandaag zowaar thuisgekomen met een viva in de boodschappentas


dinsdag 2 maart 2010

surfer vraagt om regen



Raymond van het Groenewoud 60 - mooie ode aanschouwt men hier

----
" mooi he - al die spelende kindertjes "

----

stuurde van de week het hierondervolgende gedicht in voor wat nu doch reeds op een heus bloemlezinkje van tegenstemgedichten begint te lijken. dankjewel henk & morgen weer moedeloos voorwaarts

verkiezingen

we hebben niets
met rood vandaag

maar dragen moedeloos
het laatste woord

door tuinhek
dat het kraakt

& rechts
de balzak vol

met schrikkeljaren

----
interview met dichter menno wigman bij het verschijnen van de droefenis van copyrettes

----



vond op you tube onder andere een 53-tal korte interviews van Charles Bukowski door Barbet Schroeder onder de volgende link : http://www.youtube.com/user/vekoja - & voor de Buk liefhebber valt er nog veel meer te vinden
---

op de vraag waar ik zondag was



maandag 1 maart 2010

het einde van de wereld

ach laten we ook maar eens wat advertenties plaatsen van mooie avonden vol poëzie die in het verschiet liggen - vanavond de eerste :



creatief met vliegen



vandaag ontving ik in mijn postvak onder andere deze foto met de volgende handleiding :

Wat kun je allemaal met dode vliegen doen?

Wat moet je doen?
1. Een paar vliegen killen, maar voorzichtig.
2. Een uurtje in de zon te drogen leggen (bij afwezigheid van zon, op de verwarming).
3. Neem de vliegen, een potlood en papier en laat je fantasie de vrije loop!